Wat is economie?

Het debat >> Wat is economie?

In het hart van de discussies over het economie-onderwijs ligt een schijnbaar overbodige vraag: wat is het doel van een opleiding in de economie? In onze ogen zou het kerndoel moeten zijn om studenten te leren begrijpen hoe de economie werkt.

Voor veel lezers klinkt dat wellicht als een flauwe tautologie, maar er is daadwerkelijk flinke onenigheid over de vraag of dit wel het doel zou moeten zijn van een economie-opleiding. Wij denken dat deze onenigheid voor een belangrijk deel voortkomt uit het feit dat universitair onderwijs inhoudt dat academische economen lesgeven aan groepen toekomstig professioneel economen, en dat aan deze twee groepen nogal verschillende eisen worden gesteld. Een ander deel van het antwoord kan worden gevonden in de vreemde ontwikkelingen die het economisch vakgebied de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt. Deze twee punten komen samen in het fundamentele vraagstuk: wat is economie?

De opzet van een academische opleiding in de economie is sterk verbonden met de activiteiten van academisch economen, die het curriculum ontwerpen en de vakken geven. Een sleutelvraag is daarom: hoe definiëren academische economen wat zij doen? Wat is 'economie'? In het debat hierover komen grofweg twee stromingen bovendrijven. De eerste visie ziet economie als een methode, een manier van onderzoek doen en een bril om mee naar de wereld te kijken - 'denken als een econoom'. De tweede visie ziet economie als een studieobject, 'het economisch (aspect)systeem' of kortweg 'de economie', en legt zich niet vast op één methode. Om deze twee visies beter te begrijpen zullen we kort ingaan op de geschiedenis van het debat tussen hen.

Historisch pluralisme in de economische wetenschap

In de twee eeuwen die volgden op het startschot van de economische wetenschap met Adam Smith's publicatie van de Wealth of Nations, werd de discipline meestal gedefiniëerd door haar studie-object: de economie. Economen als Smith, Ricardo, Marx, Sombart, Veblen, Keynes en Schumpeter hadden zeer verschillende theoretische perspectieven; wat zij deelden was het doel om de economie te begrijpen. Maar de meeste economen bestudeerden meer dan alleen de economie. Zij bouwden hun studie van de economie op breder sociaal-wetenschappelijk werk, en zagen de economie als een sub-systeem van de samenleving (zie afbeelding 1).

Afbeelding 1: het beeld van de klassieke economen: het economisch systeem, ingebed in de samenleving.

Het beeld van een economische wetenschap, slechts gedefiniëerd door haar studie-object, maar niet begrensd in haar methoden, bleef de dominante modus operandi van economen tijdens de hele 19e eeuw. Aangezien de moderne economie te groot, complex en veranderlijk fenomeen is om in één ontologisch systeem te vangen, werd het veld gekenmerkt door een rijke diversiteit aan methodologische en theoretische benaderingen.

"Toen economie werd geprofessionaliseerd tegen het einde van de 19e eeuw, was er nog steeds een grote diversiteit binnen de discipline. Het omvatte economische geschiedenis (vooral sterk in Duitsland), een breed scale aan interpretaties van marginalisme (van de wiskundige benadering van Walras en Fisher tot de minder wiskundige en heel andere benaderingen van J. B. Clark en de Oostenrijkse school, Veblen evolutionaire economie en Common's juridisch getinte institutionele economie." (Backhouse, 2002)

Deze geest van pluralisme, mogelijk gemaakt door een brede consensus over het onderzoeksobject van het veld, bleef grotendeels in stand gedurende de eerste helft van de 20ste eeuw, tot de Tweede Wereldoorlog.

"Tijdens het interbellum was de economische wetenschap op verscheidene manieren pluralistisch van aard. Niet alleen bestonden institutionalisme en de neoklassieke benadering naast elkaar, ze waren ook intern sterk pluralistisch. Institutionalisme was een niet-exclusieve, brede beweging, en ook neoklassieke economie was zeer divers. Bovendien namen individuen uit de beide groepen allerlei verschillende theoretische uitgangspunten aan." (Sent, 2006)

Een wat concreter beeld te bieden van hoe economie werd bedreven en gedoceerd in het midden van de 20ste eeuw biedt wellicht het Bowen Report. Bowen (1953) deed in opdracht van de American Economic Association een uitgebreid onderzoek naar de inhoud van PhD-programma's in de economie. Backhouse & Fontaine (2010a, pp. 49-50) vatten zijn bevindingen als volgt samen:

"Vanuit een brede consultatie adviseerde het Bowen Report een 'gemeenschappelijke kern' te ontwikkelen voor deze programma's. Die zou 'voornamelijk moeten bestaan uit economische theorie inclusief theorie van waarde, verdeling, geld, werkgelegenheid'. Niemand, zo meende men, had recht op een PhD in de economie zonder grondige inwijding in deze domeinen, evenals in economische geschiedenis, geschiedenis van het economisch denken, statistiek en onderzoeksmethoden. Wiskunde werd naast Russisch, Duits en Chinees geplaatst: goed als sommige economen er verstand van hebben, maar niet essentieel voor allen."

Kortom, in het interbellum was er een grote diversiteit van theoretische benaderingen in de economie, een grote variëteit aan empirische methoden, en een sterke nadruk op zowel economische geschiedenis als geschiedenis van het economisch denken (Morgan & Rutherford, 1998). Deze diversiteit van aanpakken werd noodzakelijk geacht om alle belangrijke aspecten van de economie te kunnen doorgronden.

De groeiende dominantie van neoklassieke economie

Temidden van deze theoretische en methodologische diversiteit was een nieuwe theorie opgekomen, een rijzende ster: neoklassieke economie. Deze theoretische benadering ontstond in de jaren 1870, uitgewerkt door Léon Walras, Carl Menger and William Stanley Jevons (Blaug, 1997; Samuels, Biddle, & Davis, 2008). Ze werd verder gepopulariseerd door Alfred Marshall, die altijd voorzichtig was met de onderliggende aannames, de theorie gebruikend zonder de context te negeren.

Lionel Robbins was de eerste die neoklassieke economie definiëerde als 'de economische benadering' (Backhouse & Medema, 2009; Fine & Milonakis, 2009a). Hij schreef: "Economie is de wetenschap die menselijk gedrag bestudeert als een relatie tussen doelen en schaarse middelen, die verschillend kunnen worden ingezet." (Robbins, 1932, p. 15). Sindsdien is er veel discussie geweest over de vraag wat precies de neoklassieke theorie definiëert, maar de kern is ongeveer bij Robbins' definitie gebleven.

In de periode na de Tweede Wereldoorlog werd een bepaalde vorm van de neoklassieke benadering dominant in het onderzoek van economiefaculteiten in de hele Westerse wereld. Deze beweging richting intellectuele monopolisering was en blijft een unieke ontwikkeling binnen de sociale wetenschappen. Andere disciplines zoals psychologie en politicologie zijn altijd gekenmerkt door een diversiteit aan benaderingen (Backhouse & Fontaine, 2010b). Blaug (2003) noemt dit tijdperk de 'Formalist Revolution', omdat het is gekenmerkt door axiomatisering en ver-wiskundiging van economische theorie.

Vanaf de jaren 1970 zette de versmalling in hoger tempo door, en werd "veld na veld gegrondvest op de rationele-keuze theorie" (Backhouse, 2002, p. 314). Zoals G. Becker (1976, p. 5) het uitdrukte: "De consequente toepassing van de drie aannames nutsmaximalisering, marktevenwicht en stabiele voorkeuren, vormt in mijn ogen het hart van de economische benadering." Het curriculum volgde, zij het met enige vertraging.

Afbeelding 2: De economische mainstream na WO2 bestudeert de economie in toenemende mate met slechts één perspectief: het neoklassieke.

Met deze steeds homogener theorie was het studieobject van economen nog steeds helder: de economie. In termen van afbeelding 2 werd alleen gebied B nu bestudeerd door academische economen.

Het deel van de economie waar de neoklassieke benadering zich actief over buigt kan echter ook bestudeerd worden door andere benaderingen, die weer hele nieuwe inzichten opleveren. Zoals afbeelding 3 laat zien kunnen belangrijke delen van gebied B (zoals bijvoorbeeld markten) ook worden begrepen vanuit andere perspectieven, zoals de Oostenrijkse School, Radicale economie en de Originele Institutionele Economie.

De dominantie van één theoretische benadering creëert blinde vlekken en eenzijdigheid van denken. Ten eerste zorgt het voor ontologische blinde vlekken, aangezien geen enkele benadering een goede uitleg kan geven van álle aspecten van de economie. Bijvoorbeeld machtrelaties, maar ook het ontstaan van consumptievoorkeuren of de structuur van wereldwijde productieketens worden nauwelijks behandeld in de neoklassieke economie. Deze lacune wordt opgevuld door een uitgebreide stroming van (niet-neoklassieke) literatuur, die zich bijvoorbeeld buigt over de rol die deze productieketens spelen in de dynamiek van globalisering (zie o.a. Baldwin, 2016). De organisatie van productieketens en de impact van deze ketens op verschillende groepen in de samenleving kan het beste worden geanalyseerd op het meso-economische niveau. Door de specifieke manieren waarop regio's zijn geïncorporeerd in deze wereldwijde productieketens, beïnvloedt internationale handel niet alleen welk land wat krijgt, maar ook welke groepen (meso-niveau) in de samenleving wat krijgen, binnen en tussen landen. Aangezien de neoklassieke benadering is gebaseerd op een denkraam waarin het gedrag van individuen simpelweg kan worden opgeteld tot het gedrag van een hele samenleving (Weintraub, 2007), en het bestaan van sociale groepen en het maatschappelijk middenveld beschouwt als exogeen aan de economie, kunnen dergelijke dynamieken op meso-niveau beter worden begrepen met theoretische benaderingen die groepen als ontologische categorie integreren in de kern van de analyse, zoals Originele Institutionele Economie en Radicale Economie.

Afbeelding 3: verschillende theoretische benaderingen vullen elkaar aan op twee manieren: door verschillende onderdelen van de economie te belichten, en door een ander licht te werpen op de gebieden waar ze overlappen.

Ten tweede, op de gebieden van de economie die de neoklassieke theorie wél behandelt creëert dit monopolie epistemologische eenzijdigheid, omdat één theoretische benadering slechts één van de mogelijke uitleggen kan geven van de economische fenomenen die ze bestudeert. Zo leidt bijvoorbeeld de neoklassieke benadering er meestal dat men de privatisering van goederen, natuur en voorraden de meest effectieve aanpak lijkt. Andere benaderingen zoals de Oostenrijkse School (Boettke, 1998; Von Mises, 1949) en Originele Institutionele Economie (Berle & Gardiner, 1932; Hodgson, 2015) zien instituties (traditie en recht in het bijzonder) als belangrijke factoren in het begrip van de werking van privébezit, waarmee ze een nieuw licht op de thematiek laten schijnen.

Een technische noot: om de komende afbeeldingen helder en minimalistisch te houden zal alleen de neoklassieke benadering worden getoond. De andere theorieën blijven buiten beeld.

Maar hoe is dit alles in Nederland? Historisch gezien was de 'Nederlandse' benadering van economie sterk onderscheidend (Wilts, 1998).

"In Nederland was economie altijd een onderwerp voor advocaten en 'praktische mensen'. Deze groepen hechtten vooral belang aan een goed algemeen begrip van menselijk economisch gedrag en economische processen, en de vaardigheid statistieken te lezen. (...) In de jaren rond WO2 werd de economie in Nederland in hoog tempo omgevormd naar een ideaal van 'wetenschappelijke kennis', sterk gelijkend op het ideaal in de natuurwetenschappen."

Hierdoor kwam ook in Nederlandse faculteiten de neoklassieke theorie steeds centraler te staan. Door een toenemende oriëntatie op de Angelsaksische manier van economie bedrijven kwam er steeds meer druk te staan op de typisch 'Nederlandse' academische economie: praktisch, beleidsgeoriënteerd en met diepe kennis van de Nederlandse economie (Van Dalen & Klamer, 1996). Deze maatschappelijk relevante manier van economie bedrijven is de afgelopen tijd steeds verder gemarginaliseerd (Van Dalen et al., 2015).

Recente ontwikkelingen in de economische wetenschap

De laatste tijd zijn twee grote trends zichtbaar in het werk van economen: een verbreding qua studieobject en een verbreding qua gebruikte methoden. De volgende sectie zal kort ingaan op deze twee trends, alvorens hun maatschappelijke gevolgen te duiden.

Een steeds breder scale aan studieobjecten

In 1933 ontstond de term 'economisch imperialisme', om het verschijnsel te beschrijven dat economen hun aanpak toepassen op niet-economische thema's (Fine & Milonakis, 2009a, p. 5). Dit was echter tot de jaren '80 geen gebruikelijk verschijnsel, omdat de meeste economen de aanpak alleen toepasbaar achtten in markt-contexten, waar zekere vorm van rationaliteit vaak domineert. In de laatste decennia van de 20ste eeuw veranderde dit, toen de neoklassieke theorie een vrijwel compleet monopolie kreeg in economische faculteiten en de economische discipline als geheel een hoge status veroverde vergeleken met andere sociale wetenschappen (Backhouse & Fontaine, 2010b; Fourcade, Ollion, & Algan, 2015).

Afbeelding 4: In de laatste decennia zijn neoklassieke mainstream-economen zich steeds meer gaan bezighouden met thematiek buiten de economie, zoals opvoeden, valsspelen bij toetsen, zelfmoord en andere sociale fenomenen.

Als gevolg hiervan begonnen economen hun scale aan studieobjecten steeds verder uit te breiden naar niet-economische thematiek. De meest bekende voortrekker hierin was Gary Becker (1976), die een mijlpaal plaatste met het boek The economic approach to human behavior. Andere sociaal wetenschappers zien deze methode vaak nog steeds als misplaatst en soms zelfs bizar.

Een bekende generatiegenoot van Becker, Jack Hirschleifer, was ook een groot voorstander van dergelijk 'economisch imperialisme' zoals hij het zelf noemde. Hij schreef: "economie is werkelijk de universele grammatica van sociale wetenschap". Dus, voor de duidelijkheid, wat betekent 'economie' in deze context? De definities verschillen vaak enigszins, maar wijken nooit ver af van Becker's: "[de economische methode] is een analysemethode. (...) De analyse gaat er van uit dat individuen hun welvaart maximaliseren zoals zij die zelf zien. (...) Hun gedrag is toekomst-gericht en consequent over tijd." (1975)

Hoe werkt dergelijk 'economisch imperialisme' in de praktijk? Posner (1987) legt uit:

"Er is een set aan concepten (zoals perfecte competitie, nutsmaximalisatie, equilibrium, marginale kosten, consumentensurplus, vraagelasticiteit en opportunity cost) die merendeels kunnen worden afgeleid van een gedeelde set aan assumpties over individueel gedrag, waarmee sociaal gedrag voorspeld kan worden. Wanneer ze in voldoende mate gebruikt worden maken deze concepten een werk 'economisch', ongeacht het studie-object of de discipline van de onderzoeker. Wanneer 'economie' op deze manier wordt gedefiniëerd is er niets dat de studie van huwelijken en scheidingen minder geschikt maakt voor de economische methode dan, zeg, de studie van de auto-industrie of de inflatie." (geciteerd uit Fine & Milonakis, 2009a, p. 6)

Deze revolutie wordt zelden publiekelijk besproken, hoewel ze wel zichtbaar is in projecten als Freakonomics (Levitt & Dubner, 2010). De auteurs daarvan definiëren economie als 'de studie van prikkels', wat enigszins anders is dan Robbins' en Becker's definities, maar hun basale uitgangspunten behoudt, evenals het idee van één 'economische methode'. In hun boek brengen ze fascinerend onderzoek bijeen van economen op een breed scale aan thema's, van ouderschapsstrategieën tot de Ku Klux Klan tot de verleiding voor docenten om vals te spelen bij gestandaardiseerde tests. In toenemende mate zetten economen inmiddels hun methode in om zaken te bestuderen buiten het economisch systeem, zoals huwelijken, (Grossbard-Shechtman, 1993), zelfmoorden (Kimenyi & Shughart, 1986), tenniswedstrijden (Klaassen & Magnus, 2014), discriminatie (G. S. Becker, 2010) en zelfs de culturele opvoeding van jonge kinderen (Angrist, Lavy, & Schlosser, 2010).

Wat betreft de uitbreiding qua methode, sinds de jaren '80 zijn nieuwe theorieën ontstaan die politieke en sociale structuren verklaren op basis van neoklassieke economie, in combinatie met nieuwe concepten zoals inperfecte informatie en transactiekosten. Voorbeelden van deze nieuwe theorieën zijn nieuw institutionele economie, inperfecte informatie-economie en 'public choice' economie.

'Economie als een methode' is ook in Nederland momenteel de dominante visie, zowel in onderzoek als in onderwijs. Arnold Heertje noemt economie "de wetenschap van de wijsheid van het eeuwige tekort" (2006, p. 35). Gautier (2016) definiëert contemporaire economie als "een bundel van methoden, vooral nuttig om menselijk gedrag te bestuderen in situaties van schaarste". In hetzelfde stuk stelt hij dan ook voor dat studenten die per se 'de economie' willen bestuderen dat gerust op andere faculteiten kunnen doen. Op middelbare scholen is het huidige curriculum gebaseerd op een vergelijkbare visie (Commissie-Teulings, 2002, 2005). Deze visie op wat een economie-opleiding is, wordt ook gereflecteerd in de zelf-beschrijvingen van economische faculteiten. Zo staat bijvoorbeeld op de voorpagina van de economiestudie van de UvA:

"Economen zijn gespecialiseerd in het analyseren van keuzes: behoeften dwingen mensen tot het maken van keuzes over de inzet van alternatief aanwendbare middelen (goederen en tijd) om die behoeften te bevredigen. De handel in middelen gebeurt op markten: de plaats waar vraag en aanbod bij elkaar komen. Deze handel vindt voortdurend plaats; op elk moment, overal ter wereld, op micro- en macroniveau. Dit leidt tot een dynamisch en complex systeem van interacties dat we ‘de economie’ noemen." (bron)

Afbeelding 5: de basale aannames van 'de economische methode' worden momenteel ietsje losser door de opkomst van gedrags-, experimentele, complexiteits- en evolutionaire economie.

Een uitbreiding van 'de economische methode'

Nog recenter dan deze uitbreiding in termen van studie-objecten is de tweede trend: een uitbreiding in termen van theorie. Een vroege variant hiervan was dat in de jaren '50 en '60, speltheorie werd voorgesteld als oplossing voor de problemen met de neoklassieke algemene evenwichtstheorie, omdat het focust op analyses van disequilibria. Het was dan ook geen theorie die de neoklassieke school uitdaagde, maar eerder een aanvulling, die zoveel mogelijk in het neoklassieke denken werd opgenomen. Dergelijke toevoegingen in termen van theorie hadden echter geen invloed op de axiomatische basis van de neoklassieke mainstreamtheorie.

Recentelijk worden ook de fundamentele aannames van de 'economie als een methode' wat losser, voornamelijk die van rationaliteit, evenwicht en non-complexiteit (Colander, Holt, & Rosser, 2004a; Davis, 2007). Dit wordt weergegeven in afbeelding vier. Zoals Van Damme (2016) het uitdrukt, de beperkende aanname van een 'homo rationalis' "...belet ons [economen] de volle kracht van de economische methode te gebruiken". Uit het onderzoek blijkt dat een beperkte subset van deze theoretische expansie het tot de mainstream lesboeken heeft geschopt.

Tabel 1: volgordelijkheid van ontwikkelingen binnen de economische wetenschap

De toekomst

Aangezien de 'economie als een methode'-visie Nederlandse faculteiten in toenemende mate domineert, zijn wetenschappers die 'de economie' bestuderen steeds meer organisatorisch versplinterd. Er zijn veel wetenschappers die benaderingen buiten de neoklassieke mainstream gebruiken om de economie te analyseren. Zij zijn echter in toenemende mate gedwongen om hun toevlucht te zoeken in andere sociaalwetenschappelijke faculteiten, zoals sociale geografie, antropologie, sociologie, politicologie of bedrijfskunde. Deze 'vluchtheuvel-economen' zijn daarom moeilijk te vinden voor studenten, terwijl zij wel nuttige inzichten te bieden hebben. Tegelijkertijd bestuderen steeds meer academici in economie-faculteiten andere thema's dan de economie.

Als deze trend zich in het huidige tempo voortzet, is het wellicht beter om economiefaculteiten te hernoemen naar 'schaarste-gefocuste kwantitatieve sociale wetenschappen' of iets dergelijks. Gezien het fundamentele karakter van deze ontwikkelingen is het verrassend hoe weinig publieke aandacht deze verschillende revoluties in de definitie van 'economische wetenschap' hebben aangetrokken. Wij waren daarom ook zeer verheugd toen de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde (KVS) besloot haar jaarboek van 2016 te wijden aan deze ontwikkelingen. Dat heeft het debat zeer vooruit geholpen.

Wat betreft de mate waarin deze recente verbreding van 'de economische methode' terugkomt in het onderwijs, dat is een van de onderwerpen van dit empirische werk en wordt daar in meer detail weergegeven.

Huidig debat

Kortom: momenteel kunnen twee visies op de economische wetenschap worden onderscheiden: economie als een methode en economie als een studie-object. Beide keuzes brengen complicaties met zich mee: het wordt fel bediscussiëerd wat exact de 'economische methode' inhoudt, en het is eveneens onduidelijk waar precies de grens is van het studie-object dat we 'de economie' noemen. Om dit te verhelderen, zullen de beide visies kort uiteen worden gezet.

Het eerste kamp bestaat uit degenen die economie definiëren als een specifieke wetenschappelijke benadering, de 'economische methode', die kan worden toegepast op willekeurig welk studie-object binnen de sociale wetenschappen. Zoals hierboven uitgelegd is dit kamp het niet 100% eens over de definitie van 'de economische methode', maar gemeenschappelijke elementen zijn rationaliteit, evenwicht, methodologisch individualisme, formalistische methodologie en een focus op markten en prijsmechanismen.

Het tweede kamp bestaat uit degenen die economie definiëren als een studie-object, 'de economie', dat bestudeerd moet worden met een diversiteit van methoden van etnografisch veldwerk tot wiskundige complexiteitstheorie, en met een variëteit aan theorieën van Marxisme tot de Oostenrijkse School. Dit kan definiëert haar studie-object vaak in min of meer substantistische termen. Polanyi (1957) schrijft: "Het substantivistische concept is gebaseerd op de empirische economie, gedefiniëerd als een geinstitutionaliseerd proces van interactie tussen de mens en zijn omgeving, dat resulteert in een continue aanbod van behoefte-vervullende materiële middelen." Er zijn nog allerlei andere definities, maar ze zijn allemaal gebaseerd op de structuur van de materiële (re)productie van de samenleving.

Voor alle duidelijkheid: deze twee visies op economie overlappen natuurlijk deels. Ze leggen alleen een fundamenteel andere focus, en hebben andere einddoelen. Het eerste kamp wil vooral haar methode inzetten, waar dat maar interessante resultaten kan opleveren. Inzicht in delen van de economie is een (bedoelde) consequentie hiervan. Het tweede kamp wil de economie begrijpen, vanuit welke invalshoeken dan ook (inclusief de neoklassieke).

 

Zie meer

Huidige Situatie

Verder Denken